Ecoduct

Wat

Ecoducten of natuurbruggen zorgen ervoor dat dieren veilig de weg kunnen oversteken. Ze worden vooral gebouwd over grotere wegen en snelwegen. Ecoducten zijn enkel bedoeld voor dieren. Als mensen of voertuigen van deze verbindingen gebruik maken, verstoren ze de natuurlijke rust. Daarnaast is het belangrijk dat menselijke elementen zoals geur of geluid zoveel mogelijk vermeden worden. Een ree of een marter zal de oversteek bijvoorbeeld niet snel wagen als er ook mensen passeren. Als ze echter veilig, rustig en op hun eigen tempo kunnen oversteken, is de kans veel groter dat ze dat effectief doen. De vegetatie op een ecoduct sluit best zo goed mogelijk aan bij die van de omgeving. Het landschap en dus het leefgebied loopt dan als het ware over de brug verder. Ecoducten zijn geschikt voor de meeste diersoorten.

In Vlaanderen zijn er vier ecoducten. Het ecoduct De Warande in Oud-Heverlee (N25), het ecoduct Kikbeek in Opgrimbie (E314), het ecoduct De Munt in Loenhout (E19) en het ecoduct Kempengrens in Mol-Postel (E34). In 2016 wordt gestart met de bouw van het vijfde ecoduct Groenendaal in het Zoniënwoud in Hoeilaart (R0).

Ecoduct Kikbeek
Ecoduct Kikbeek
 
Ecoduct Kempengrens
Ecoduct Kempengrens
 

Ecoducten zijn vaak afgeschermd zodat je als weggebruiker of voorbijganger niet ziet wat zich op die brug bevindt. Daardoor is het voor veel mensen een mysterie hoe zo’n ecoduct er van bovenaf eigenlijk uitziet.


Bovenop ecoduct Kikbeek

Bij de aanleg van de Kempense Noord-Zuid verbinding N19 tussen Kasterlee en Geel, werd de versnippering van het natuurgebied ‘De Hoge Mouw’ beperkt door de aanleg van een heel breed ecoduct of een zogenaamde ‘landschapsbrug’ met een tunnel voor het verkeer.


De Hoge Mouw

Hoe wordt zoiets gebouwd?

Een ecoduct over de weg valt op. Ecoducten zijn meestal zeer brede bruggen met hoge taluds of houten wanden om het geluid en het licht van de snelweg af te schermen voor de dieren op de brug. Om doeltreffend te zijn, moet een ecoduct minstens 40 tot 50 meter breed zijn.  In Vlaanderen zijn de ecoducten meestal 60 meter breed.

Niet alleen de breedte van het ecoduct is van belang. Ook de aanloophellingen vanuit de omgeving mogen niet te steil zijn zodat de dieren gemakkelijk op het ecoduct geraken.

Een ecoduct moet steviger gebouwd zijn dan een gewone brug. Dit komt doordat er bovenop een ecoduct grond ligt en er planten groeien. De laag met aarde is minstens 30 tot 100 centimeter dik en daarbovenop komt nog eens de beplanting.

Inrichting en geleiding

Om dieren naar een ecoduct te leiden, moet het naadloos aansluiten op de omringende natuur én moet het er aantrekkelijk uitzien. Daarom worden ecoducten zo gevarieerd mogelijk ingericht. Houtkanten, open stukken, grazige stukken en zelfs waterpartijen zijn elementen die helpen om zoveel mogelijk soorten naar het ecoduct te lokken. Elke diersoort heeft namelijk zijn eigen voorkeuren: de ene heeft open zand nodig, de ander zoekt liever beschutting in struikjes en nog een ander voelt zich het best in hoog gras.

Bovendien moet vermeden worden dat dieren op de autosnelweg terechtkomen. Ecorasters langs de snelweg zorgen ervoor dat dieren enkel via het ecoduct kunnen oversteken.

Schermen of wallen op de rand van het ecoduct zorgen ervoor dat dieren op de brug niet afgeschrikt worden door de lichten van voorbijrijdende voertuigen.

Ecoduct Meerdaalwoud
Ecoduct De Warande

Welke dieren passeren er?

Bij een ecoduct denkt men meestal meteen aan grotere zoogdieren zoals reeën en everzwijnen. Maar dat zijn zeker niet de enige soorten die een ecoduct gebruiken. Ook kleinere zoogdieren (zoals hazen, eekhoorns, marters, egels en vleermuizen), allerlei vogels en insecten (vlinders, loopkevers, …), amfibieën (kikkers, padden,...) en reptielen (hagedissen, slangen) profiteren mee van een ecoduct. Alleen de soorten die enkel leven in water of in een natte omgeving, zullen niet snel een ecoduct gebruiken.



Reeën op ecoduct De Warande