Kleine ecotunnels of ecokokers

Wat?

Net als een grote ecotunnel is een kleine ecotunnel of ecokoker een doorgang voor dieren onder een weg of spoorweg. Door hun beperkte afmetingen kunnen kleine ecotunnels onder de meeste wegen door geperst worden zonder het wegdek open te breken en moet het verkeer voor de aanleg dus niet stilgelegd worden. Ze kunnen ook eenvoudig toegevoegd worden  tijdens wegenwerken. Net zoals voor grote ecotunnels geldt voor kleine tunnels het volgende: hoe langer de tunnel, he groter de binnenafmetingen. Het uiteinde van de tunnel moet immers goed zichtbaar blijven.

Hoe wordt een kleine ecotunnel gebouwd?

Voor kleine ecotunnels kunnen standaard ronde rioolbuizen of rechthoekige kokerelementen gebruikt worden. Voor persingen onder de weg door kunnen enkel de ronde buizen gebruikt worden (vanaf diameter 600 mm).

Door ecotunnels licht hellend aan te leggen, komen ze niet onder water te staan. De ecotunnel moet zo goed mogelijk aansluiten op de natuurlijke structuren in het landschap.  De locatie moet worden afgestemd op lijnvormige landschapselementen zoals: houtkanten, bomenrijen, bosranden, bospaden, natuurlijke waterlopen,  kleine depressies,...  Een laagje gebiedseigen aarde op de bodem van de tunnel is noodzakelijk.

Inrichting en geleiding

Rond de tunnelmond wordt het best een zogenaamd ‘lokstruweel’ voorzien.  Dat is een begroeiing met struiken om de dieren te lokken naar de tunnel. De tunnelmond moet wel steeds vrij blijven. Ook stronkenwallen in de richting van de tunnelmond kunnen het gebruik door dieren bevorderen. Meer uitleg over geleiding naar ontsnipperingsmaatregelen vind je hier.

Welke dieren passeren er?

Kleine ecotunnels of ecokokers lijken op gangen die door dieren zelf gegraven worden. Het zijn dan ook vooral de gravende soorten, zoals een das, bunzing, steenmarter of vos, die gemakkelijk gebruik maken van de kleinere onderdoorgangen. Voor dassen is het zelfs beter om vrij krappe tunnels te voorzien, want ze voelen zich er beter in thuis. Ook andere dieren zoals egels of amfibieën, die niet in gangen leven maar zich wel graag verschuilen in de strooisellaag, maken gebruik van de tunnels. Voor sommige dieren zoals reptielen en sommige insecten (bijvoorbeeld loopkevers) is een gewone ecotunnel te lang en te koud.  Hiervoor kunnen de zogenaamde reptielentunnels een oplossing bieden.