Ontsnipperingsmaatregelen dieren

Om zicht te krijgen op welke ontsnipperingsmaatregelen je best waar neemt, is het zinvol om een idee te hebben van welke dieren je aantreft in een bepaald gebied. Want niet elke maatregel is geschikt voor elk dier. Hieronder een kort overzicht van de dieren waarmee je rekening kan houden. Uitspraken over of en waar deze dieren voorkomen doen we hier niet.

Bij het uitwerken van ontsnipperingsmaatregelen worden de dieren grofweg in twee categorieën ingedeeld: zichtsoorten en niet-zichtsoorten. Deze indeling is een sterke vereenvoudiging van de realiteit, maar helpt wel om snel inzicht te krijgen in geschikte ontsnipperingsmaatregelen.

Zichtsoorten

Zichtsoorten zijn diersoorten die een volledig overzicht op hun omgeving willen hebben. Zij leven boven de grond en je zal ze dan ook nooit zien in gangenstelsels of in 'burchten' onder de grond. Ook hebben ze een voorkeur voor een dichte begroeiing met veel schuilplaatsen. In Vlaanderen zijn reeën en hazen voorbeelden van  zichtsoorten. Voor deze soorten werken kleine onderdoorgangen niet als ontsnipperende maatregel. Ze hebben ecoducten, ecovalleien en/of grote ecotunnels nodig.

Soorten die in bomen wonen, zoals eekhoorns en boommarters, kunnen ook tot de zichtsoorten gerekend worden omdat deze ook niet door donkere kokers onder de grond zullen kruipen.

Niet-zichtsoorten

Er zijn diersoorten die voornamelijk in gangen onder de grond leven of in burchten en holen. Voor hen zijn de kleinere ecotunnels, ecokokers en ecoduikers wel een goede oplossing. De voornaamste soorten zijn enkele van de marterachtigen (das, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel), vossen, egels, muizen en konijnen.

Ook amfibieën en reptielen kunnen tot de niet-zichtsoorten gerekend worden, hoewel zij niet in gangenstelsels leven. Om dekking te zoeken kruipen zij eerder in de strooisellaag, ze zijn het dus wel gewend om tegen de bodem en in het donker bescherming te zoeken. Voor amfibieën worden de specifieke amfibieëntunnels aangelegd.