Veelgestelde vragen

Een ecoduct moet een minimale breedte hebben van 40 tot 50 meter om functioneel te zijn. Dan kan het systeem zich ontwikkelen, en kunnen de dieren gevoelsmatig veilig oversteken. Het is belangrijk dat er veel variatie in de begroeiing aanwezig is, net als een natter en een droger stuk. Op die manier zullen zo veel mogelijk diergroepen zich veilig voelen en durven oversteken. Ecoducten kunnen zelfs nog breder zijn, dan verbinden ze niet alleen populaties van dieren maar zelfs hele landschappen met elkaar. Hoe breder de weg die een ecoduct moet overbruggen, hoe breder een goed werkend ecoduct moet zijn. Een ecoduct over een gewestweg met 2 rijstroken mag veel smaller zijn dan een ecoduct over een snelweg van 2x3 rijstroken en 2 pechstroken.

 

Ecoducten hebben hun nut bewezen. De ecoducten in Vlaanderen worden via studies gemonitord, waarbij gedurende meerdere jaren onderzocht wordt of en welke dieren er gebruik van maken. Omdat de meeste dieren de beschutting opzoeken, of in het schemerdonker en het donker actief zijn, zie je ze niet snel. Maar ze zijn er wel! Met bijvoorbeeld nachtcamera’s die aan springen bij beweging, of met zandstroken waarop je de pootafdrukken ziet, kunnen de onderzoekers zien welke dieren van een ecoduct gebruik maken.

 

Nee, dat kan niet. Een ecoduct is geschikt voor de meeste dieren, maar afhankelijk van de inrichting (met of zonder water) niet voor alle dieren. Dan is het nodig om het te combineren met bijvoorbeeld ecotunnels, amfibieëntunnels of ecoduikers. Om een versnipperd natuurgebied volledig te ontsnipperen, zouden er op geregelde afstanden ontsnipperingsmaatregelen moeten aangelegd worden. Dit is jammer genoeg vaak niet mogelijk door het hoge kostenplaatje.

Als er grote gebieden worden doorsneden door een drukke weg is het sowieso nodig om meerdere maatregelen te nemen. Dan kun je bijvoorbeeld op meerdere plekken ecoducten bouwen, of verschillende versies daarvan (ecoveloduct, ecorecreaduct, …). Vaak wordt er bij een drukke weg door een natuurrijk gebied een combinatie voorzien, van bijvoorbeeld één ecoduct samen met een reeks kleine ecotunnels.

 

Voor de meeste dieren is een natuurlijke omgeving een omgeving zonder verstoring door mensen. Geen lawaai van babbelende mensen of blaffende honden, geen natuur die (per ongeluk) platgetrapt en verstoord wordt, geen geuren van honden of mensen die veel dieren afschrikken. Soms kun je de menselijke en dierlijke functies wel combineren, als je de oversteekplaatsen van elkaar kunt scheiden. Vooral in een natuurlijke omgeving waar de dieren al aan het lawaai van de mens gewend zijn.

Kunstmatig licht voelt voor dieren, zoals het woord al zegt, kunstmatig aan. Je schrikt er ook bepaalde dieren mee af, zoals vleermuizen. Als er wel verlichting moet zijn, in bijvoorbeeld een ecotunnel gecombineerd met een fietspad, dan kun je de verlichting diervriendelijk aanpassen zodat ze niet meer afschrikt. Als mens zie je nog voldoende, maar de dieren worden er niet door afgeschrikt.

 

Er wordt altijd eerst een landschapsecologische analyse gedaan, waarbij gekeken wordt naar aanwezige landschapselementen, dierpopulaties, drukte van de weg, het aantal aanrijdingen, …. Vervolgens wordt er handig van die landschapselementen gebruik gemaakt, door bv. een ecoduiker in het verlengde van een bestaande waterloop aan te leggen. De nood tot ontsnippering moet er zijn, maar het moet ook technisch (en dus financieel) mogelijk zijn om op die locatie te ontsnipperen. Er wordt met andere woorden steeds rekening gehouden met kostenefficiëntie.

Verder is de aanleg ook steeds een combinatie van mogelijkheden en kansen. Als er een nieuwe weg wordt gebouwd, kan er op voorhand worden geanalyseerd waar een ecoduct (of een andere maatregel) het meeste nut zou hebben. Waar liggen de migratieroutes? Zijn er bepaalde populaties aanwezig en weten we waar ze zich naartoe verplaatsen? Hier kan dan meteen rekening mee worden gehouden.

Regelmatig wordt ook tot een maatregel besloten simpelweg omdat er zich een goede kans voordoet. Bijvoorbeeld een oude brug die overbodig is geworden kan worden omgevormd tot een bermbrug, of een fietstunnel in een natuurgebied die gerenoveerd moet worden. Als er onderhoudswerken aan een weg moeten gebeuren, dan is het een relatief kleine kost om op dat moment bijvoorbeeld extra amfibietunnels te voorzien.

 

Nee, er moet wel een reden toe zijn. Als er geen natuur van grote waarde rondom aanwezig is, dan is de verbindende functie minder noodzakelijk. De overheden proberen de meest prioritaire plaatsen - dus waar beschermde natuur veel hinder ondervindt van een weg - eerst te ontsnipperen. Ook moeten de dieren ergens naartoe kunnen. Als er aan de ene kant van de weg een schitterend bos ligt, en aan de andere kant enkel akkerbouw of industrieterreinen, heeft ontsnipperen geen zin.

 

Bij de aanleg van nieuwe wegen wordt er altijd in detail gekeken naar de effecten van de nieuwe weg op de omgeving. Als er negatieve versnipperende effecten zijn dan worden deze al bij de aanleg gecompenseerd door ontsnipperingsmaatregelen. Maar er zijn relatief weinig nieuwe wegen en vooral veel bestaande wegen.

Wat je bij de aanleg van een nieuwe weg kan doen hangt af van de omliggende omgeving. In een heuvelachtige omgeving kan je bijvoorbeeld gemakkelijker een weg verhoogd aanleggen in het lager gelegen landschap, en daaronder dus een ecovallei creëren. Je legt dan de weg over het leefgebied heen, en doorkruist het met minder impact.

Landschapsanalyses in de fase van het voorontwerp (waarbij de mogelijkheden voor de weg worden bekeken) kunnen gebieden met een belangrijke ecologische of cultuurhistorische waarde in kaart brengen. Daarna moeten er keuzes worden gemaakt. Kan de weg een andere tracé volgen dat minder natuur doorkruist? Of kan dat niet en moeten we ontsnipperingsmaatregelen nemen? Zo ja, welke dan en waar? Vervolgens worden al die bekommernissen en opmerkingen meegenomen in het definitieve ontwerp van de nieuwe weg.

Het resultaat daarvan kan zijn dat een weg over een bepaald stuk volledig ondertunneld wordt, zoals is gebeurd bij de Hoge Mouw. Het landschap loopt dus gewoon door over de weg heen. Ook kan de weg verhoogd worden aangelegd, zoals het viaduct van de E314 over de vallei van de Grensmaas.

Hoewel ontsnippering zich vooral richt op dieren, spelen ook de aanwezige planten en de daarbij horende insecten een belangrijke rol in het geheel. Veel dieren gebruiken immers die insecten, of de grassen en kruiden die in de berm groeien, als voedsel. Insecten (bv. bijen) en andere dieren zorgen ook voor de verspreiding van pollen of zaden in het landschap. In een ecosysteem is dus alles met elkaar verbonden, en kan je het aanwezige groen niet los zien van de dieren die er gebruik van maken.

 

Bij alle ontsnipperingsmaatregelen wordt een weldoordachte overweging gemaakt. Voor de aanleg van een nieuwe weg wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de noodzaak tot ontsnippering. Indien mogelijk wordt een gebied ontzien, maar anders worden er passende maatregelen genomen. Wanneer je het budget voor deze ontsnipperingsmaatregelen afzet tegen de totale kost van de wegenwerken valt dit heel erg mee. Het is slechts een fractie van het budget dat naar de ontsnipperingsmaatregelen zelf gaat.
 

Bij bestaande infrastructuur wordt zoveel mogelijk gezocht naar mogelijkheden om die aan te passen. Bijvoorbeeld het omvormen van een lokale brug tot gemengde natuurbrug of ecoduct. Of een bovenlokale fietstunnel die voorzien wordt van een groene strook en vleermuisvriendelijke verlichting. Op die manier blijven de kosten, zowel administratief als naar infrastructuur toe, beperkt.

Een ecoraster zorgt eigenlijk voor extra versnippering, doordat dieren niet meer vrij in en uit hun leefgebied kunnen. Voor een populatie is dit rampzalig (zie ‘waarom ontsnipperen’). Enkel als een ecoraster gecombineerd wordt met voldoende ontsnipperende maatregelen, is het nuttig voor de natuur. Ecorasters alleen zijn dus vooral goed voor de verkeersveiligheid, maar slecht voor de natuur als er geen alternatieve routes worden aangeboden.

Hier is nog weinig over bekend. Wel is geweten dat de dieren de maatregelen gebruiken, dus we mogen ervan uitgaan dat er ook genetische uitwisseling plaatsvindt. In welke mate en of dit (bv uitwisseling over één ecoduct) voldoende is om een populatie gezond te houden, is een andere vraag. Momenteel wordt wel onderzoek op touw gezet om het effect van een ecoduct op genetische uitwisseling van verschillende diergroepen te onderzoeken.