Grote ecotunnels

 

Wat?

Een ecotunnel is een tunnel onder een grote weg, waarlangs dieren veilig de overkant kunnen bereiken. Grote ecotunnels worden meestal aangelegd op die plaatsen waar door ruimtegebrek geen ecoduct mogelijk is of wanneer het beter past in de natuurlijke omgeving en het reliëf. Enkel de echt grote ecotunnels kunnen een volwaardig alternatief zijn voor ecoducten.

Grote ecotunnels lijken een beetje op fietstunnels. Ze kunnen enkel worden aangelegd op plekken waar de weg hoger ligt dan de omgeving. Hoe langer de tunnel, hoe breder en hoger hij moet zijn om voor zo veel mogelijk diersoorten bruikbaar te zijn. Het uiteinde van de tunnel moet immers goed zichtbaar blijven voor soorten die zich op het zicht oriënteren, zoals een ree. De tunnel mag dus niet te donker zijn.

E314 - Ecotunnel tussen Den Teut en de Ten Haagdoornheide Zolder/Houthalen-Helchteren

Hoe wordt zoiets gebouwd? 

De meeste grote ecotunnels zijn rechthoekig en van beton. Wanneer ze aangelegd worden, moet het verkeer bijna altijd onderbroken worden. Ze kunnen namelijk, in tegenstelling tot kleine ecotunnels, niet eenvoudig onder de weg geboord worden.   

Om bij lange tunnels het kokereffect te verkleinen, kan een deel bovenaan open gelaten worden (bijvoorbeeld ter hoogte van de middenberm van de weg). Dat is echter niet altijd aan te raden, omdat er dan vuil naar binnen kan vallen. Ook het geluid van het verkeer kan dan storend weergalmen en dieren afschrikken. De openingen moeten om veiligheidsredenen afgedekt worden met roosters.

Een ecotunnel moet zo goed mogelijk aansluiten op het natuurlijk reliëf van de omgeving, bijvoorbeeld ter hoogte van een natuurlijke vallei zodat die doorloopt onder de weg. Afhankelijk van de omgeving kan er zelfs een kleine waterloop geïntegreerd worden in de ecotunnel.

 

Inrichting en geleiding

Begroeiing rond de in- en uitgang van de tunnel maken de omgeving van de tunnel aantrekkelijk en lokken de dieren er naartoe. De begroeiing mag echter de toegang tot de tunnel niet versperren. Ook stronkenwallen in de richting van de tunneltoegang en in de tunnel zelf verhogen de aantrekkingskracht. Net als bij alle ontsnipperingsmaatregelen is een geleidend raster onontbeerlijk.

Welke dieren passeren er?

De ligging en de grootte van de tunnel bepalen welke dieren  er gebruik van maken. Als je wil dat ook soorten die graag een overzicht op hun omgeving houden – zoals de ree en de haas – gebruik maken van de tunnel, dan is het belangrijk dat er voldoende lichtinval is. Hoe korter en/of hoe breder de tunnel, hoe beter.  Net als bij een ecoduct moet een dier de indruk krijgen dat het landschap doorloopt. Het gevoel van een smalle koker moet dus vermeden worden. Openheid is belangrijk in de tunnel. Een stronkenwal langs de wanden of de aanwezigheid van water kan ook kleine dieren aanzetten om de ecotunnel te gebruiken. De meeste kleine dieren kunnen ook gebruik maken van kleine ecotunnels.